|
‘Mama, wat eten we vanaaf?’ Dat was de veelgestelde vraag bij de familie Faber. ‘Eilert heeft eten op de kop getikt!’ zei moeder Lene blij, terwijl ze glimlachtte naar haar jongste dochtertje Aafke. De kleine ontblootte haar rechte rij met kleine tandjes en ging weer onverstoord verder met tekenen. Het was een doodnormaal bloempje, maar voor een zesjarige was dat al heel wat. Enkele minuutjes later kwam het meisje weer overeind en liep naar haar broers Eilert en Egidius toe. ‘Kijk, kijk!’ riep ze blij en ging voor de jongens staan met de tekening boven haar hoofd. Haar oudere broers waren elf en zestien, maar de kleine Aafke was niet verschrokken van hun lengte. ‘Een bloempje!’ riep ze vrolijk en probeerde het resultaat aan te wijzen met een vrije vinger. ‘Heel mooi,’ lachtte Eilert en tilde zijn enige zusje op. ‘Van jou komt er nog eens wat terecht.’ De familie Faber was vreselijk arm, moeder Lene was schoonmaakster op een treinstation en van Eilert wist niemand wat hij deed. School in ieder geval niet. Hij was ermee gekapt, of beter gezegd; ze hadden er geen geld meer voor.
Eigenlijk hadden ze bijna nergens meer geld meer voor. Meneer Faber was uit het zicht verdwenen zodra Aafke tevoorschijn was gekomen en had nooit meer iets van zich laten horen, maar niemand nam zich daar nog iets van aan en spraken nooit over hem. Aafke's oudere broers hadden er net zo veel moeite mee als hun moeder, maar hun zusje was de enige die vond dat ze een normaal leven leidde. Maar ze wist niet beter. Ze wist niet beter dan in een krot wonen, ze wist niet wat school werkelijk inhield. Eigenlijk vroeg ze zich al heel lang af waarom er bijna elke dag kinderen voorbij fietsten met grote tassen om hun ruggen gebonden, maar Aafke had er nooit naar gevraagd. Waarom ze geen vader had, wist ze ook niet maar ze had zich geen leven kunnen voorstellen mét een vader. Maar Aafke mistte niets in haar leven, alles was goed zoals het was, ook al moesten haar moeder en Eilert elke dag wat te eten bij elkaar sprokkelen. Er waren ook dagen dat ze bijna niets te eten meer hadden, maar haar maagje had niet veel voeding nodig om te overleven. Op een regenachtige avond hoorde Aafke haar moeder snotterend praten tegen haar versleten en oude mobieltje die ze alleen in noodgevallen gebruikte. Egidius probeerde zo ver mogelijk uit de buurt van zijn zusje te blijven om zijn verdriet niet te tonen en Eilert probeerde haar met een sip gezicht bezig te houden. ‘Wat is er?’ vroeg Aafke terwijl ze haar hoofd schuin hield en met haar blauwe ogen haar broer vragend aankeek. ‘Niets... Er is niets, Aafke. Mama moet even iets oplossen...’
‘Mama!‘ Aafke gilde toen ze af werd gezet bij Direón. Haar familieleden stonden bij de ingang van het gebouw te wachten en omhelsden hun vroegere dochter of zusje stevig. Haar moeder huilde met lange uithalen en Eilert en Egidius huilden geluidloos. Wat was het moeilijk om je bloedeigen zusje achter te laten bij een tehuis omdat je zelf geen geld had om haar te verzorgen... Haar broers konden het wel overleven in armoede. Boven het gehuil uit kon je het stemmetje van de kleine Aafke horen dat maar huilde omdat ze niet wist wat er aan de hand was. Het groepje mensen bleef daar enkele minuten staan wachten, tot er één de moed verzamelde om iets zinnigs uit te brengen. ‘Moeder, de bus staat er.’ Het was Egidius, die het niet meer aankon en terugkeerde naar de bushalte. ‘Egiuus, waar ga je heen?’ snikte Aafke toen ze haar broer zag weglopen, maar die reageerde niet. Eilert drukte een kus op haar blonde haren en verliet de plek ook. Alleen moeder Lene zat nog geknield bij Aafke. Ze streelde haar wangetje en glimlachtte door haar tranen heen. ‘Succes, Aafke... Ik hoop dat we elkaar ooit weer terugzien.’ Lene vertrok naar de bus die op het punt stond om te vertrekken en stapte in. Die schimmen keken naar een zesjarig meisje vanachter een busraampje terwijl de bus wegreed.
|